Ook tweedeverblijfstaks in Koksijde houdt geen stand

In een belangwekkend arrest van het Hof van Beroep te Gent van 20 oktober 2026 besluit het Hof tot vernietiging van de belasting op tweede verblijven van Koksijde. De fiscale behandeling tussen vaste inwoners en tweede verblijvers blijkt (opnieuw) niet objectief en redelijk te verantwoorden.

De bescherming van het residentieel wonen en het aantrekken van vaste inwoners kunnen alvast niet overtuigen. Het meerjarenplan bevat geen concrete doelstelling om tweede verblijven te ontmoedigen. De gemeente zet bovendien zelf in op verblijfstoerisme. Ook de prijsdruk op de woningmarkt biedt geen afdoende verantwoording: die kent meerdere oorzaken en kan niet zonder meer aan tweede verblijven worden toegeschreven.

De verwijzing naar investeringen in sociale en betaalbare woningen kan evenmin baten. Een voldoende verband met de belasting ontbreekt. Het hof plaatst daarbij de belastingopbrengst van 16.626.000 euro in 2021 tegenover 250.000 euro aan investeringen in sociale woningen. Ook de kwalificatie als ‘forfaitaire weeldebelasting’ houdt geen stand: volgens het hof heeft de belasting in de eerste plaats een financiële doelstelling. De financiële toestand van de gemeente verantwoordt op zich evenwel niet waarom de last uitsluitend bij tweede verblijvers wordt gelegd.

Bijzonder relevant is de beoordeling van de algemene gemeentebelasting. Volgens Koksijde dragen tweede verblijvers daaraan niet bij. Het hof noemt die stelling “juridisch correct maar in de feiten foutief”. De vroegere milieutaks werd voor tweede verblijvers immers opgenomen in de verhoogde tweedeverblijfstaks. Daardoor dragen zij tot zevenmaal meer bij dan een gezin dat permanent in de gemeente woont, zonder redelijke verantwoording.

The saga continues, want in een arrest van 6 februari 2024 verklaarde de vijfde kamer van het hof van beroep te Gent het belastingsreglement op tweede verblijven eerder ook al in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Toen werd reeds geopperd dat de verantwoording die de gemeente Koksijde hanteert in het belastingreglement, m.n. de bescherming van het residentieel wonen in de gemeente, de verhoging van de permanente bewoning en het aantrekken van meer inwoners, redelijkerwijze niet aanneembaar is. Volgens het hof zou dit geen reden vormen om de vaste inwoners en de tweede verblijvers als niet vergelijkbaar te beschouwen en een verdere toetsing aan het gelijkheidsbeginsel uit te sluiten. Het hof stelt dat deze verantwoording het invoeren van een verschillend fiscaal stelsel tussen vaste inwoners die kunnen genieten van het 0%-tarief van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting, enerzijds, en tweede verblijvers die onderworpen zijn aan de tweedeverblijfstaks, anderzijds, niet objectief kan verantwoorden.

De doelstelling van de gemeente om in een compensatie te voorzien voor de investeringen die de gemeente (rekening houdend met de prijsdruk op de woonmarkt door de aanwezigheid van tweede verblijvers en het gebrek aan huurwoningen) moet doen in sociale en betaalbare woningen is volgens het hof geen afdoende verantwoording om de belasting enkel ten laste te leggen van de eigenaars van tweede verblijven aangezien ze op geen enkele wijze redelijkerwijze objectief onderbouwd is.

Uit het tussengekomen arrest blijkt dus dat de gemeente er niet in geslaagd is om het reglement op wettige wijze te hernemen. De verwijzing naar het meerjarenplan etc. kan hier dus geen soelaas bieden.

Next
Next

Stallen van weidedieren wel mogelijk bij residentiële functiewijziging?