Stallen van weidedieren wel mogelijk bij residentiële functiewijziging?
In een arrest van 20 augustus 2026 met nr. RvVb-2526-1071 lijkt de Raad de discussie over de conformiteit van het stallen van weidedieren met de woonfunctie bij toepassing van de zonevreemde basisrechten (eindelijk) definitief te beslechten.
In het concrete verhaal werd de herbestemming beoogd van een landbouwwoning en loods naar een residentiële woning en bijgebouw. De voormalige landbouwloods wordt ingevuld door een garage, een kunstatelier met opslagruimte, een kantoor, stallen voor weidedieren en berging voor landbouwvoertuigen en benodigdheden voor dieren.
Het departement neemt al geruime tijd het standpunt in dat het stallen van weidedieren niet te beschouwen valt als een functie die complementair is aan ‘wonen’ in de zin van artikel 11 Besluit Zonevreemde Functiewijzigingen. Het departement stelt al enige tijd dat er grenzen zouden moeten worden gesteld aan de invulling van woningbijgebouwen en dat hierin geen lappendeken van een diversiteit aan functies zou kunnen worden ondergebracht. De Raad volgt de argumentatie dat het stallen van weidedieren niet zou getuigen van een met het wonen complementaire invulling dus allerminst. Ook de stelling dat sprake zou zijn van een agrarische activiteit, zij het op hobbymatige wijze, wordt dus niet bijgetreden.
Zo stelt de Raad kort samengevat als volgt:
‘Overigens merkt de tussenkomende partij in de discussie terecht op dat met het Decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving het artikel 4.4.8/2 VCRO werd ingevoerd. Deze bepaling laat toe om, onder bepaalde voorwaarden en enkel voor zover er geen bestaande stallingsmogelijkheden zijn “één stal voor weidedieren die geen betrekking heeft op een effectief beroepslandbouwbedrijf” op te richten”.’
En:
‘Uit het voorgaande blijkt dat de decreetgever ervan uitgaat dat het hobbymatig houden van weidedieren complementair kan zijn aan de woonfunctie, waarbij bovendien prioritair “bestaande stallen of andere constructies” dienen te worden aangewend als hobbystal. De stelling van de verzoekende partij dat het hobbymatig houden van weidedieren niet verenigbaar zou zijn met de omvorming van een voormalig landbouwbedrijfsgebouw naar woningbijgebouw wordt niet bijgetreden. Dat doet er weliswaar niet aan af dat artikel 11 Besluit Zonevreemde Functiewijzigingen wordt gekenmerkt door eigen toepassingsvoorwaarden, maar bevestigt wel degelijk dat een hobbystal in bepaalde, concrete omstandigheden, een residentieel karakter kan vertonen.’
En nog.
Ook de contouren van de landbouwtoets worden op scherp gesteld.
De Raad oordeelt concreet als volgt:
‘Waar de verzoekende partij uit die parlementaire voorbereiding, waarmee net (en enkel) de voorwaarde 3° is toegevoegd, afleidt dat de verwerende partij niet alleen moet onderzoeken wat de impact van de functiewijziging op de normale bedrijfsvoering van “bedrijven in de omgeving” is maar ook “of de site niet meer kan dienen voor landbouwdoeleinden”, voegt zij een voorwaarde toe aan artikel 4.4.23, 3° VCRO die niet decretaal is voorgeschreven.’
Hoewel ook de parlementaire voorbereiding verwijst naar het landbouwpotentieel van de site zelf, werd dit niet als voorwaarde opgenomen in artikel 4.4.23 VCRO. De parlementaire voorbereiding kan volgens de Raad niet worden gebruikt om een bijkomende voorwaarde toe te voegen aan een duidelijke decretale bepaling. Het landbouwpotentieel van de site vormt dan ook geen afzonderlijk beoordelingscriterium.
De impact op bestaande landbouwbedrijven in de omgeving moet daarentegen wel worden onderzocht. Volgens de Raad heeft de deputatie dit voldoende gedaan en concreet gemotiveerd waarom de functiewijziging de bedrijfsvoering van deze bedrijven niet in het gedrang brengt. Bovendien blijkt dat het advies van het Agentschap niet volledig van de juiste feitelijke situatie uitgaat.

